Wat is wiskunde? Hoe gebruik je de lesmethode? Opgaven van module M1:
opgave 2 en 3 (maken we klassikaal, inclusief uitlegvlak en voorbeeldvlak)
opgave 4 en 5 (maak je zelfstandig. bestudeer de theorie en voorbeelden)
Opgave 7, 9 (klassikaal)
Opgaven 10, 11, 12 (zelfstandig aan werken. Maak thuis af, wat in de klas niet af komt).
2e les in de week
Activiteiten
Indien deze week twee kernlessen de helft van volgende week erbij. Dit compenseert weer in de week 3 (de week van het brugklaskamp)
Als je twee verschillende verhoudingen met elkaar wilt vergelijken, dan is het verstandig om beide verhoudingen terug te rekenen tot 1.
Voorbeeld
Gesneden groenten kosten 78 cent voor een zak van 150 gram en 1,98 euro voor een zak van 400 gram. Welke zak is het voordeligst?
Maak voor beide situaties een verhoudingstabel waarin je het aantal gram terugrekent tot 1.
Je ziet nu meteen dat in een grote zak 1 gram groente minder kost dan in een kleine zak. De zak van 400 gram is dus het voordeligst.
Extra
Je kunt gelijke verhoudingen opschrijven in een verhoudingstabel.
Door boven en onder met hetzelfde getal te vermenigvuldigen of door hetzelfde getal te delen krijg je steeds weer nieuwe getallenparen die dezelfde verhouding hebben.
Afspraak: Schrijf verhoudingen met zo klein mogelijke gehele getallen.
Schrijf de verhouding 3,4 : 5,1 zo eenvoudig mogelijk.
Maak een verhoudingstabel.
De eenvoudigste verhouding is dus 2 : 3.
Opgaven
10.
Je kunt het probleem van de groenten uit het voorbeeld hierboven ook oplossen door te kijken hoeveel gram groente je in elke zak voor 1 eurocent krijgt. Je rekent dan niet de grammen maar de centen terug naar 1.
Aanleervraag
a.
Voer deze berekening uit met behulp van verhoudingstabellen.
Toon antwoord
b.
Hoeveel gram krijg je in een grote zak voor één cent méér dan in een kleine zak?
Toon antwoord
In een grote zak krijg je 2,02 - 1,92 = 0,10 gram meer per eurocent.
Basisvraag
11.
In een winkel kun je 300 gram snoep krijgen voor 1,60 euro. Je kunt ook 250 gram drop krijgen voor 1,25 euro. Bereken wat goedkoper is: snoep of drop?
Toon antwoord
Uitdaging
12.
Hein heeft in zijn auto 561 km gereden op 43,21 liter benzine. Hij probeert voortaan zuiniger te rijden. De volgende keer rijdt hij 473 km op 36,93 liter benzine. Heeft hij de tweede keer inderdaad zuiniger gereden? Toon dit aan met een berekening!
Toon antwoord
De eerste keer rijdt Hein 561 km op 43,21 liter = 561 : 43,21 = 12,98 km op 1 liter. De tweede keer rijdt Hein 473 : 36,93 = 12,80 km op 1 liter. Hij heeft niet zuiniger gereden.