PDF
Studiewijzer
Studiewijzer — P1.W1 (31-8-2026) opstartweek
Toetsen
Algebra 1
Huiswerk
Maken van module M1
  • Maken opgave 2 t/m 5
  • Maken opgave 11, 12
1e les in de week
Activiteiten
Wat is wiskunde? Hoe gebruik je de lesmethode?
Opgaven van module M1:
  • opgave 2 en 3 (maken we klassikaal, inclusief uitlegvlak en voorbeeldvlak)
  • opgave 4 en 5 (maak je zelfstandig. bestudeer de theorie en voorbeelden)
  • Opgave 7, 9 (klassikaal)
  • Opgaven 10, 11, 12 (zelfstandig aan werken. Maak thuis af, wat in de klas niet af komt).
2e les in de week
Activiteiten
Indien deze week twee kernlessen de helft van volgende week erbij. Dit compenseert weer in de week 3 (de week van het brugklaskamp)

Als je twee verschillende verhoudingen met elkaar wilt vergelijken, dan is het verstandig om beide verhoudingen terug te rekenen tot 1.
Voorbeeld
  • Maak voor beide situaties een verhoudingstabel waarin je het aantal gram terugrekent tot 1.

    R1 voorbeeld paragraaf 2.3
    Je ziet nu meteen dat in een grote zak 1 gram groente minder kost dan in een kleine zak.
    De zak van 400 gram is dus het voordeligst.
  • Extra
    Opgaven
    1. 10.
      Je kunt het probleem van de groenten uit het voorbeeld hierboven ook oplossen door te kijken hoeveel gram groente je in elke zak voor 1 eurocent krijgt.
      Je rekent dan niet de grammen maar de centen terug naar 1.
      Aanleervraag
      a.
      Voer deze berekening uit met behulp van verhoudingstabellen.
       
      Toon antwoord
      R1 antwoord vraag 10a
      b.
      Hoeveel gram krijg je in een grote zak voor één cent méér dan in een kleine zak?
       
      Toon antwoord
      In een grote zak krijg je 2,02 - 1,92 = 0,10 gram meer per eurocent.
    2. Basisvraag
      11.
      In een winkel kun je 300 gram snoep krijgen voor 1,60 euro. Je kunt ook 250 gram drop krijgen voor 1,25 euro. Bereken wat goedkoper is: snoep of drop?
       
      Toon antwoord
      R1 antwoord vraag 11
    3. Uitdaging
      12.
      Hein heeft in zijn auto 561 km gereden op 43,21 liter benzine. Hij probeert voortaan zuiniger te rijden. De volgende keer rijdt hij 473 km op 36,93 liter benzine.
      Heeft hij de tweede keer inderdaad zuiniger gereden? Toon dit aan met een berekening!
       
      Toon antwoord
      De eerste keer rijdt Hein 561 km op 43,21 liter = 561 : 43,21 = 12,98 km op 1 liter.
      De tweede keer rijdt Hein 473 : 36,93 = 12,80 km op 1 liter. Hij heeft niet zuiniger gereden.