Wat is wiskunde? Hoe gebruik je de lesmethode? Opgaven van module M1:
opgave 2 en 3 (maken we klassikaal, inclusief uitlegvlak en voorbeeldvlak)
opgave 4 en 5 (maak je zelfstandig. bestudeer de theorie en voorbeelden)
Opgave 7, 9 (klassikaal)
Opgaven 10, 11, 12 (zelfstandig aan werken. Maak thuis af, wat in de klas niet af komt).
2e les in de week
Activiteiten
Indien deze week twee kernlessen de helft van volgende week erbij. Dit compenseert weer in de week 3 (de week van het brugklaskamp)
Als een verhouding tussen A en B is gegeven, kun je uitrekenen welk deel van het totaal bij A hoort en welk deel bij B. Het antwoord kun je schrijven als een breuk.
Voorbeeld
In een klas is de verhouding tussen het aantal leerlingen dat wiskunde moeilijk vindt en het aantal leerlingen dat wiskunde makkelijk vindt gelijk aan: 3 : 5. Welk deel van de klas vindt wiskunde moeilijk? Schrijf je antwoord als een breuk.
Er zijn 3 delen die wiskunde moeilijk vinden. De klas bestaat uit 3 + 5 = 8 delen. Op elke 8 leerlingen zijn er 3 drie die wiskunde moeilijk vinden Dit is drie achtste deel van de leerlingen. De breuk die hierbij hoor is $\frac{3}{8}$ .
Omgekeerd kan het ook. Stel dat $\frac{2}{7}$ deel van de Nederlanders nooit spruitjes eet. Hoe groot is dan de verhouding tussen het aantal Nederlanders dat geen spruitjes eet en dat wel spruitjes eet?
$\frac{2}{7}$ deel eet geen spruitjes, dus $\frac{5}{7}$ deel eet wel spruitjes. De verhouding wel : niet = $\frac{2}{7}$ : $\frac{2}{7}$ . Dit kun je vereenvoudigen tot 5 : 2.
Opgaven
18.
Een lichtgroene verf wordt gemaakt door 46 delen wit, 3 delen geel en 1 deel blauw te mengen.
Aanleervraag
a.
Hoeveel delen verf bevat één blik?
Toon antwoord
Er zijn totaal 46 + 3 + 1 = 50 delen verf.
b.
Welk gedeelte van de te mengen verf is wit? En welk gedeelte blauw?
Toon antwoord
Witte deel van de verf is: $\frac{46}{50}$ = $\frac{23}{25}$ deel; Het blauwe deel van de verf is $\frac{1}{50}$ deel.
19.
Stel dat in een land 3/5 deel van de mensen blauwe ogen heeft. Op een school blijken 743 leerlingen geen blauwe ogen te hebben.
Basisvraag
a.
Hoeveel leerlingen heeft deze school?
Toon antwoord
743 leerlingen is 2/5 deel, dus 1/5 deel is 743 : 2 = 371,5 leerlingen. Het totaal is 5/5 deel, dus 5 x 371,5 = 1857,5 leerlingen. De school heeft dus 1857 of 1858 leerlingen.
b.
Hoeveel leerlingen hebben op deze school wel blauwe ogen?
Toon antwoord
3/5 deel van 1858 = 1115 (afgerond van 1114,8)
20.
In de tabel hiernaast zie je uit welke plaatsen de leerlingen van een Goudse school afkomstig zijn. Voor het rekengemak zijn de leerlingenaantallen afgerond op tientallen.
Uitdaging
a.
Hoe verhouden zich het aantal leerlingen uit Gouda tot het aantal leerlingen uit Reeuwijk?
Toon antwoord
Gouda : Reeuwijk = 320 : 120 = 8 : 3
b.
Welk gedeelte van de leerlingen is afkomstig uit Gouda?
Toon antwoord
Er zijn totaal 320 + 120 + 40 + 180 + 60 = 720 leerlingen Uit Gouda komt het 320/720 = 4/9 deel
In klas 1a is het gedeelte van de leerlingen dat uit Reeuwijk en het gedeelte dat uit Gouda komt (bijna) gelijk aan het deel Reeuwijkers en het deel Gouwenaren op de hele school. In 1a zitten 4 leerlingen uit Reeuwijk.
c.
Bereken hoeveel leerlingen er in 1a zitten en hoeveel er uit Gouda komen.
Toon antwoord
Voor de hele school is het deel Reeuwijkers 120/720 = 1/6 deel. In klas 1a is 1/6 deel is 4 leerlingen, dus 6/6 deel is 6 x 4 = 24 leerlingen. Er zitten 24 leerlingen in klas 1a. 4/9 deel van klas 1a komt uit Gouda, dus 4/9 x 24 =10,66 leerlingen. Er komen 11 leerlingen uit Gouda.
Een jaar eerder waren er maar 300 leerlingen afkomstig uit Gouda en 105 uit Reeuwijk.
d.
In welke plaats was de toename van het aantal leerlingen relatief het grootst?
Toon antwoord
Het aantal leerlingen uit Gouda werd 320/300 = 1,066.. keer zo groot. Het aantal leerlingen uit Reeuwijk werd 120/105 = 1,14... keer zo groot. De groei was relatief het grootst in Reeuwijk